Huidig uur
Ochtendgebed – Priem
Wij danken God voor de nacht en vragen Hem om de nieuwe dag te doen stralen met het licht van Christus’ opstanding.
Inleiding van ieder uur
In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest
de ene God. Amen.
Heer, ontferm U. Heer, ontferm U. Heer, zegen. Amen.
Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
HET ONZE VADER
Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
Het Gebed van Dankzegging
Laten wij danken de weldadige, barmhartige God, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; want Hij heeft ons beschut en bijgestaan, Hij heeft ons bewaard, en tot Zich aangenomen en Zich over ons ontfermd en ons ondersteund, en Hij heeft ons tot dit uur gebracht. Laat ons Hem ook vragen dat Hij ons in deze heilige dag en al de dagen van ons leven in alle vrede beware. De Almachtige, de Heer, onze God.
O Heer God, Almachtige, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus, wij danken U te allen tijde, om alles en in alles; want Gij hebt ons beschut, en Gij hebt ons geholpen, en Gij hebt ons bewaard, en Gij hebt ons tot U aangenomen, en Gij hebt U over ons ontfermd, en Gij hebt ons ondersteund, en Gij hebt ons tot dit uur gebracht.
Daarom bidden en smeken wij U uit Uw goedheid, o Gij die de mensen liefhebt: schenk ons dat wij deze heilige dag en al de dagen van ons leven in volle vrede met Uw vrees voleinden. Alle nijd, elke verzoeking, elk werk van de duivel en de samenzwering van goddeloze mensen, en het opstaan der zichtbare en onzichtbare vijanden, neem ze van ons weg en van heel Uw volk, en van deze heilige plaats van U. Doch wat goed en nuttig is, schenk het ons. Want Gij zijt Degene die ons de macht gegeven hebt om op slangen en schorpioenen en op alle kracht van de vijand te treden. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Door de genade, de barmhartigheden en de mensenliefde van Uw eniggeboren Zoon, onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; door Wie U toekomt de heerlijkheid, de eer, de macht en de aanbidding, met Hem, met de levendmakende Heilige Geest, Die aan U gelijk is, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Psalm 50
Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.
Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.
Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
Begin van het gebed (Kom, laten wij aanbidden – De Paulus – Uit het geloof van de Kerk):-
Komt, laten wij aanbidden: komt, laten wij smeken Christus onze God. Komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij vragen aan Christus onze Koning. Komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij smeken tot Christus, onze Verlosser. Onze Heer Jezus Christus, het Woord van God, onze God, door de voorbede van de heilige Maria en al Uw heiligen, behoed ons, en laat ons een goed begin maken. Ontferm U over ons naar Uw wil tot in eeuwigheid. De nacht is voorbij; wij danken U, o Heer, en wij vragen dat Gij ons in deze dag zonder zonde bewaart en ons verlost.
De Pauluslezing uit de Brief aan de Efeziërs (4:1-5): Ik vermaan u dan, ik, de gevangene in de Heer, te wandelen waardig de roeping, waarmee gij geroepen zijt, met alle ootmoed en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, elkander in liefde verdragende; u beijverende de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping; één Heer, één geloof, één doop.
Uit het geloof van de Kerk: Één is God, de Vader van allen. Één is ook Zijn Zoon, Jezus Christus, het Woord, Die vlees geworden is, gestorven is en op de derde dag uit de doden is opgestaan en ons met Hem heeft opgewekt. Één is de Heilige Geest, de Trooster, Één in Zijn Persoon, Die van de Vader uitgaat, en de ganse schepping reinigt. Hij leert ons te aanbidden de Heilige Drie-eenheid, in één Godheid en één natuur; wij loven en zegenen Hem tot in eeuwigheid. Amen.
De Brief van de heilige apostel Paulus aan de Efeziërs (4:1-5)
Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt;
Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde;
U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.
Een lichaam is het, en een Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer roeping;
Een Heere, een geloof, een doop,
Het Gebed van het Eerste Uur van de gezegende dag bied ik aan Christus, mijn Koning en mijn God, en ik vraag Hem mij mijn zonden te vergeven.
uit de Psalmen van onze vader David, de profeet; zijn zegen zij over ons. Amen.
Het morgengebed van de gezegende dag,
Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
Uit de psalmen van onze vader David, de profeet en koning,
Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
Psalm 1
Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
Psalm 2
Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
Psalm 3
Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.
O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.
Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.
Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.
Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. [ (Psalms 3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]
Psalm 4
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.
Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.
Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!
Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. [ (Psalms 4:9) Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen. ]
Psalm 5
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.
Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben. [ (Psalms 5:13) Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas. ]
Psalm 6
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?
Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?
Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.
Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. [ (Psalms 6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. ]
Psalm 8
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.
Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt. [ (Psalms 8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! ]
Psalm 11
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?
Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.
Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.
Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.
Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.
Psalm 12
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.
Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.
Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. [ (Psalms 12:9) De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden. ]
Psalm 14
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.
Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.
Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.
Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
Och, dat Israels verlossing uit Sion kwam! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.
Psalm 15
Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?
Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;
In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;
Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
Psalm 18
Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.
Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!
De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.
Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.
Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.
Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.
Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.
En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.
En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.
En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.
En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.
Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.
En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.
Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.
Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.
Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.
Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.
Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.
Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.
Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.
Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.
Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.
Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.
De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!
De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen; [ (Psalms 18:51) Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. ]
Psalm 24
Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?
Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.
Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.
Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!
Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.
Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!
Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.
Psalm 26
Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.
Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.
Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.
Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.
Psalm 62
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.
Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.
Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.
Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.
Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.
Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.
Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek; ik zal niet wankelen.
In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen mijner sterkte, mijn Toevlucht is in God.
Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.
Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.
Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.
God heeft een ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. [ (Psalms 62:13) En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk. ]
Psalm 66
Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.
De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.
Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.
Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;
Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;
Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.
Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.
Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.
Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.
Psalm 69
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.
Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]
Psalm 112
Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden.
He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.
Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.
Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.
Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.
Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.
Psalm 142
Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.
Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.
Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. [ (Psalms 142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben. ]
Het heilig Evangelie volgens de heilige Johannes (1:1-17)
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
Dit was in den beginne bij God.
Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.
In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.
En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.
Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes.
Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.
Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.
Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.
Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.
Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;
Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.
En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.
Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.
Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
Wees gegroet
Wees gegroet. Wij smeken u, o heilige, vol van heerlijkheid, Maagd te allen tijde, Moeder van God, Moeder van Christus: draag onze gebeden op tot uw beminde Zoon, opdat Hij ons onze zonden vergeve.
Wees gegroet, gij die voor ons het ware Licht hebt gebaard, Christus, onze God; o heilige Maagd, vraag de Heer voor ons, opdat Hij barmhartigheid bewijze aan onze zielen en ons onze zonden vergeve.
O Maagd Maria, Moeder van God, heilige, trouwe voorspreekster van het menselijk geslacht, spreek voor ons ten overstaan van Christus, Die gij gebaard hebt, opdat Hij ons de vergeving van onze zonden schenke.
Wees gegroet, o Maagd, ware koningin; wees gegroet, trots van ons geslacht; gij hebt voor ons Immanuël gebaard. Wij smeken u: gedenk ons, o betrouwbare voorspreekster, ten overstaan van onze Heer Jezus Christus, opdat Hij ons onze zonden vergeve.
Begin van de Geloofsbelijdenis
Wij verheerlijken u, Moeder van het ware Licht, en wij prijzen u, heilige Maagd, Moeder van God, want gij hebt voor ons de Verlosser van de wereld gebaard; Hij kwam en heeft onze zielen gered.
Eer zij U, onze Heer en onze Koning, Christus: de glorie der apostelen, de kroon der martelaren, de vreugde der rechtvaardigen, de standvastigheid der kerken, de vergeving der zonden.
Wij verkondigen de Heilige Drie-eenheid, één Godheid; wij aanbidden en verheerlijken Hem. Heer, ontferm U. Heer, ontferm U. Heer, zegen. Amen.
Dan bidt de gelovige:
Heer, verhoor ons en ontferm U over ons en vergeef ons onze zonden. Amen.
(Heer, ontferm U) 41 keer
Κύριε ἐλέησον Kyrie eleison (Heer, ontferm U) 41 keer
Heilig, heilig, heilig
Heilig, heilig, heilig, Heer der heerscharen. Hemel en aarde zijn vol van Uw heerlijkheid en eer. Ontferm U over ons, o God de Vader, de Almachtige. O heilige Drie-eenheid, ontferm U over ons. O Heer, God der machten, wees met ons, want wij hebben in onze benauwdheden en verdrukkingen geen andere helper dan U.
Ontsla ons, vergeef en verduur onze misdaden, o God, die wij willens en onwillens gedaan hebben, die wij met kennis en zonder kennis gedaan hebben, de verborgene en de openbare. O Heer, vergeef ze ons omwille van Uw heilige Naam dat over ons is uitgeroepen. Naar Uw barmhartigheid, o Heer, en niet naar onze zonden.
En maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt...
De Absolutie
O Heer, God der machten, die zijt vóór de eeuwen en die blijft tot in eeuwigheid, Die de zon hebt geschapen tot het licht van de dag, en de nacht tot rust voor alle mensen: wij danken U, Koning der eeuwen, omdat Gij ons deze nacht in vrede hebt doen voorbijgaan en ons tot het begin van de dag hebt gebracht.
Daarom bidden wij U, o onze Koning, Koning der eeuwen: laat het licht van Uw aanschijn over ons opgaan, en laat het licht van Uw goddelijke kennis over ons schijnen. En maak ons, o onze Meester, tot kinderen van het licht en kinderen van de dag, opdat wij deze dag in gerechtigheid, reinheid en goed beleid doorlopen, en de rest van de dagen van ons leven zonder struikelen voleinden. Door de genade, de barmhartigheid en de mensenliefde van Uw eniggeboren Zoon Jezus Christus, en de gave van Uw Heilige Geest; nu en altijd en tot in eeuwigheid. Amen.
Een andere Absolutie
O Gij die het licht doet opgaan en het voortstuurt, Gij Die Uw zon doet opgaan over goeden en bozen, Die het licht gemaakt hebt dat over de wereld schijnt: verlicht ons verstand, onze harten en onze inzichten, o Heer van allen. Schenk ons op deze tegenwoordige dag U welgevallig te zijn. Bewaar ons voor al het boze en voor elke zonde en voor elke tegenwerkende macht, door Christus Jezus, onze Heer. Gezegend zijt Gij met Hem en met de levendmakende Heilige Geest, Die aan U gelijk is, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Smeekbede gebeden aan het einde van ieder uur
Ontferm U over ons, o God, vervolgens ontferm U over ons. Gij Die te allen tijde en elk uur, in de hemel en op aarde, aanbeden en verheerlijkt wordt, Christus onze goede God, lankmoedig, veel barmhartigheid hebbend, rijk aan medelijden, Die de rechtvaardigen liefhebt en Zich ontfermt over de zondaars, van wie ik de eerste ben; Die niet wil dat de zondaar sterft, maar dat hij zich bekeert en leeft; Die allen roept tot het heil omwille van de belofte van de toekomende goederen:
Heer, neem in dit uur en in elk uur onze smeekbeden aan. Richt ons leven, en leid ons tot het doen van Uw geboden. Heilig onze zielen. Reinig onze lichamen. Richt onze gedachten op. Zuiver onze bedoelingen. Genees onze ziekten en vergeef onze zonden. Ruk ons weg van alle droeve smart en hartenpijn. Omring ons met Uw heilige engelen, opdat wij door hun leger beschermd en geleid worden, en wij mogen geraken tot de eenheid van het geloof en tot de kennis van Uw onzichtbare en onbegrensde heerlijkheid; want Gij zijt gezegend tot in eeuwigheid. Amen.
O God, maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt...