Huidig uur
Derde Uur – Terts
We gedenken Christus vóór Pilatus, Zijn hemelvaart en de nederdaling van de Heilige Geest, die onze harten vernieuwt.
Inleiding van ieder uur
In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest
de ene God. Amen.
Heer, ontferm U. Heer, ontferm U. Heer, zegen. Amen.
Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
HET ONZE VADER
Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
Het Gebed van Dankzegging
Laten wij danken de weldadige, barmhartige God, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; want Hij heeft ons beschut en bijgestaan, Hij heeft ons bewaard, en tot Zich aangenomen en Zich over ons ontfermd en ons ondersteund, en Hij heeft ons tot dit uur gebracht. Laat ons Hem ook vragen dat Hij ons in deze heilige dag en al de dagen van ons leven in alle vrede beware. De Almachtige, de Heer, onze God.
O Heer God, Almachtige, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus, wij danken U te allen tijde, om alles en in alles; want Gij hebt ons beschut, en Gij hebt ons geholpen, en Gij hebt ons bewaard, en Gij hebt ons tot U aangenomen, en Gij hebt U over ons ontfermd, en Gij hebt ons ondersteund, en Gij hebt ons tot dit uur gebracht.
Daarom bidden en smeken wij U uit Uw goedheid, o Gij die de mensen liefhebt: schenk ons dat wij deze heilige dag en al de dagen van ons leven in volle vrede met Uw vrees voleinden. Alle nijd, elke verzoeking, elk werk van de duivel en de samenzwering van goddeloze mensen, en het opstaan der zichtbare en onzichtbare vijanden, neem ze van ons weg en van heel Uw volk, en van deze heilige plaats van U. Doch wat goed en nuttig is, schenk het ons. Want Gij zijt Degene die ons de macht gegeven hebt om op slangen en schorpioenen en op alle kracht van de vijand te treden. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Door de genade, de barmhartigheden en de mensenliefde van Uw eniggeboren Zoon, onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; door Wie U toekomt de heerlijkheid, de eer, de macht en de aanbidding, met Hem, met de levendmakende Heilige Geest, Die aan U gelijk is, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Psalm 50
Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.
Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.
Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
Begin van het gebed
Lofzang van het Derde Uur van de gezegende dag, ik bied haar aan Christus, mijn Koning en mijn God, en ik vraag Hem mij mijn zonden te vergeven.
Psalm 19
Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.
Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. [ (Psalms 19:15) Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! ]
Psalm 22
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.
Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.
Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.
Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!
Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.
Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten. [ (Psalms 22:32) Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft. ]
Psalm 23
Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.
Psalm 25
Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.
Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.
Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.
Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag.
Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.
Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!
Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.
Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.
Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.
Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven.
Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.
Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.
Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.
Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.
Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.
Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.
O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.
Psalm 28
Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.
Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.
De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.
Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.
Psalm 29
Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.
Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.
De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.
De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.
De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.
En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.
De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.
De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.
De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.
De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.
De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.
Psalm 33
Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.
Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.
Psalm 40
Davids psalm, voor den opperzangmeester.
Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.
Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.
Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.
Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.
Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.
Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.
Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt! [ (Psalms 40:18) Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet. ]
Psalm 42
Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.
O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.
De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.
Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? [ (Psalms 42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. ]
Psalm 44
Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.
Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.
Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.
Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.
Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.
Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.
In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.
Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.
Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.
Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.
Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.
Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.
Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.
Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;
Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.
Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.
Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.
Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.
Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.
Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.
Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.
Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?
Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. [ (Psalms 44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil. ]
Psalm 45
Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.
En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.
Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.
Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.
Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.
Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.
Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.
En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.
Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.
In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.
Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.
In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde. [ (Psalms 45:18) Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos. ]
Psalm 46
Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeen;
Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.
De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.
God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.
De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.
De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.
Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.
Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.
Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde. [ (Psalms 46:12) De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela. ]
De Secties (Tropar)
Uw Heilige Geest, o Heer, Die Gij zondt over Uw heilige apostelen en eerbiedwaardige gezanten in het Derde Uur, neem deze niet van ons weg, o Goede, maar vernieuw Hem in ons binnenste. Schep in mij een rein hart, o God, en een rechte geest vernieuw in mijn binnenste. Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht, en Uw Heilige Geest neem niet van mij. (ذوكصابتري كيه إيو كي آجيو ابنيفماتي Δόξα Πατρί καὶ Υἱῷ καὶ Ἁγίῳ Πνεύματι - Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest).
O Heer, Die Uw Heilige Geest zondt over Uw heilige apostelen en eerbiedwaardige gezanten in het Derde Uur, neem Deze niet van ons weg, o Goede; maar wij vragen U Hem in ons binnenste te vernieuwen, o onze Heer Jezus Christus, Zoon van God, het Woord: een rechte en levendmakende Geest, de geest van profetie en kuisheid, de geest van heiligheid, gerechtigheid en heerschappij, o Almachtige; want Gij zijt de glans van onze zielen, Gij Die verlicht elk mens die in de wereld komt: ontferm U over ons. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
O Moeder van God, gij zijt de ware wijnstok die de Tros des Levens draagt; wij bidden u, o vol van genade, met de apostelen, om het heil van onze zielen. Gezegend zij de Heer, onze God. Gezegend zij de Heer, dag aan dag; Hij baant onze weg, want Hij is de God van ons heil. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
O hemelse Koning, de Trooster, Geest der waarheid, Die overal zijt en alles vervult, Schat van het goede en Gever van het leven: kom, daal genadig in ons neer, en reinig ons van alle bevlekking, o Goede, en red onze zielen. (ذوكصابتري كيه إيو كي آجيو ابنيفماتي Δόξα Πατρί καὶ Υἱῷ καὶ Ἁγίῳ Πνεύματι - Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest).
Zoals Gij bij Uw discipelen waart, o Heiland, en hun vrede hebt gegeven, kom ook tot ons en schenk ons Uw vrede, red ons en verlos onze zielen. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
Wanneer wij in Uw heilige tempel staan, worden wij gerekend alsof wij in de hemel staan. O Moeder van God, Gij zijt de Poort des hemels; open voor ons de poort van barmhartigheid.
Tenoo oasht emmok o piekhristos nem pekyot en aghathos nem pi epnevma ethowab je akee ak soati emmon nai nan
Wij aanbidden U, o Christus, met Uw goede Vader en de Heilige Geest, want U bent gekomen en hebt ons verlost.
1. Uw Heilige Geest, o Heer, die U in het Derde Uur hebt uitgezonden over Uw heilige discipelen en geëerde apostelen, neem Hem niet van ons weg, o Goede, maar vernieuw Hem in ons. Schep in mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest. Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht. En neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati
Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
2. O Heer, die Uw Heilige Geest in het Derde Uur hebt neergezonden op Uw heilige discipelen en Uw geëerde apostelen, neem Hem niet van ons weg, o Goede, maar wij bidden U Hem in ons te vernieuwen, o Heer Jezus Christus, Zoon van God, het Woord: een standvastige en levenschenkende Geest, een Geest van profetie en kuisheid, een Geest van heiligheid, gerechtigheid en gezag, o Almachtige, want U bent het licht van onze zielen. U die elk mens verlicht die in de wereld komt, ontferm U over mij.
Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
3. O Theotokos, U bent de ware wijnstok die de Tros des Levens heeft voortgebracht; wij bidden u, o vol van genade, met de apostelen, om het heil van onze zielen. Gezegend is de Heer, onze God. Gezegend is de Heer, dag aan dag. Hij bereidt onze weg, want Hij is de God van ons heil.
Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
4. O Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, die overal zijt en alles vervult, de schatkamer van de goede gaven en de Levensgever, kom genadig, woon in ons en reinig ons van alle onreinheid, o Goede, en red onze zielen.
Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati
Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
5. Zoals U bij Uw discipelen waart en hun vrede gaf, kom genadig ook tot ons en wees met ons, en schenk ons Uw vrede, en red ons, en verlos onze zielen.
Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
6. Telkens wanneer wij in Uw heilig heiligdom staan, worden wij geacht in de hemel te staan. O Theotokos, U bent de poort van de hemel; open voor ons de poort van barmhartigheid.
Dan bidt de gelovige:
Heer, verhoor ons en ontferm U over ons en vergeef ons onze zonden. Amen.
(Heer, ontferm U) 41 keer
De Absolutie
O God van alle vertroostingen en Heer van alle vertroosting, Die ons te allen tijde vertroost door de vertroosting van Uw Heilige Geest, wij danken U omdat Gij ons hebt opgericht tot het gebed in dit heilig uur, waarin de genade van Uw Heilige Geest rijkelijk werd uitgestort over Uw heilige apostelen en eerbiedwaardige, zalige gezanten als van vuurvlammen. Wij bidden en smeken U, o Gij die de mensen liefhebt: aanvaard onze gebeden, en vergeef onze zonden, en zend over ons de genade van Uw Heilige Geest, en reinig ons van alle onreinheid van lichaam en geest, en breng ons over tot een geestelijke wandel, opdat wij in de Geest wandelen en de begeerte van het vlees niet volbrengen; en maak ons waardig U te dienen in reinheid en gerechtigheid al de dagen van ons leven. Want U past de heerlijkheid, de eer en de macht, met Uw goede Vader en de Heilige Geest, nu en altijd en tot in eeuwigheid. Amen.
Smeekbede gebeden aan het einde van ieder uur
Ontferm U over ons, o God, vervolgens ontferm U over ons. Gij Die te allen tijde en elk uur, in de hemel en op aarde, aanbeden en verheerlijkt wordt, Christus onze goede God, lankmoedig, veel barmhartigheid hebbend, rijk aan medelijden, Die de rechtvaardigen liefhebt en Zich ontfermt over de zondaars, van wie ik de eerste ben; Die niet wil dat de zondaar sterft, maar dat hij zich bekeert en leeft; Die allen roept tot het heil omwille van de belofte van de toekomende goederen:
Heer, neem in dit uur en in elk uur onze smeekbeden aan. Richt ons leven, en leid ons tot het doen van Uw geboden. Heilig onze zielen. Reinig onze lichamen. Richt onze gedachten op. Zuiver onze bedoelingen. Genees onze ziekten en vergeef onze zonden. Ruk ons weg van alle droeve smart en hartenpijn. Omring ons met Uw heilige engelen, opdat wij door hun leger beschermd en geleid worden, en wij mogen geraken tot de eenheid van het geloof en tot de kennis van Uw onzichtbare en onbegrensde heerlijkheid; want Gij zijt gezegend tot in eeuwigheid. Amen.
O God, maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt...