Uurgebeden

Huidig uur

Negende Uur – Noon

We gedenken Christus’ heilzame dood aan het kruis en het berouw van de berouwvolle misdadiger die vroeg om in Zijn Koninkrijk herdacht te worden.

Inleiding van ieder uur

In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest

de ene God. Amen.

Heer, ontferm U. Heer, ontferm U. Heer, zegen. Amen.

Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

HET ONZE VADER

Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.

Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

Het Gebed van Dankzegging

Laten wij danken de weldadige, barmhartige God, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; want Hij heeft ons beschut en bijgestaan, Hij heeft ons bewaard, en tot Zich aangenomen en Zich over ons ontfermd en ons ondersteund, en Hij heeft ons tot dit uur gebracht. Laat ons Hem ook vragen dat Hij ons in deze heilige dag en al de dagen van ons leven in alle vrede beware. De Almachtige, de Heer, onze God.

O Heer God, Almachtige, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus, wij danken U te allen tijde, om alles en in alles; want Gij hebt ons beschut, en Gij hebt ons geholpen, en Gij hebt ons bewaard, en Gij hebt ons tot U aangenomen, en Gij hebt U over ons ontfermd, en Gij hebt ons ondersteund, en Gij hebt ons tot dit uur gebracht.

Daarom bidden en smeken wij U uit Uw goedheid, o Gij die de mensen liefhebt: schenk ons dat wij deze heilige dag en al de dagen van ons leven in volle vrede met Uw vrees voleinden. Alle nijd, elke verzoeking, elk werk van de duivel en de samenzwering van goddeloze mensen, en het opstaan der zichtbare en onzichtbare vijanden, neem ze van ons weg en van heel Uw volk, en van deze heilige plaats van U. Doch wat goed en nuttig is, schenk het ons. Want Gij zijt Degene die ons de macht gegeven hebt om op slangen en schorpioenen en op alle kracht van de vijand te treden. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

Door de genade, de barmhartigheden en de mensenliefde van Uw eniggeboren Zoon, onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; door Wie U toekomt de heerlijkheid, de eer, de macht en de aanbidding, met Hem, met de levendmakende Heilige Geest, Die aan U gelijk is, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Psalm 50

Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.

Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.

Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.

Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.

Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!

En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.

Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.

Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.

Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;

Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.

Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.

Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?

Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.

En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.

Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.

Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.

Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.

Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.

Begin van het gebed

Lofzang van het Negende Uur van de gezegende dag, ik bied haar aan Christus, mijn Koning en mijn God, en ik vraag Hem mij mijn zonden te vergeven.

Psalm 95

Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.

Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.

Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;

In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;

Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.

Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.

Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,

Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;

Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.

Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.

Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!

Psalm 96

Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!

Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.

Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.

Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.

Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.

Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.

Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.

Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.

Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.

Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.

Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.

Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.

Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.

Psalm 97

De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.

Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.

Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand.

Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.

De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde.

De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.

Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden!

Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!

Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.

Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.

Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.

Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

Psalm 98

Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.

De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.

Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.

Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.

Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,

Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.

De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.

Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,

Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.

Psalm 99

De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.

De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.

Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;

En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.

Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!

Mozes en Aaron waren onder Zijn priesters, en Samuel onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.

Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.

O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.

Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.

Psalm 100

Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.

Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.

Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.

Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.

Want de HEERE is goed; Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.

Psalm 109

Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.

Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.

En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.

Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.

En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.

Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.

Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.

Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;

Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.

En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.

Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.

Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.

De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.

Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.

Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.

Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.

En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.

Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.

Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.

Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.

Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.

Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.

Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.

Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.

Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.

Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.

Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.

Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.

Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.

Psalm 110

Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.

De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden.

Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn.

De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns.

Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.

Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.

Psalm 111

Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.

Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.

He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.

Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. de HEERE is genadig en barmhartig.

Teth. Hij heeft degenen, die Hem vrezen, spijs gegeven; Jod. Hij gedenkt in der eeuwigheid aan Zijn verbond.

Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.

Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.

Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.

Pe. Hij heeft Zijn volke verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk.

Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

Psalm 112

Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.

Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden.

He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.

Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.

Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.

Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.

Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.

Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.

Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.

Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.

Psalm 114

Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;

Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij.

De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.

De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.

Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?

Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?

Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;

Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

Psalm 115

Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.

Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?

Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.

Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;

Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;

Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.

Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.

Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.

Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.

De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.

Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.

De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.

Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!

Het heilig Evangelie volgens de heilige Lucas (9:10-17)

En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats der stad, genaamd Bethsaida.

En de scharen, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond.

En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.

Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;

Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.

En zij deden alzo, en deden hen allen nederzitten.

En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar den hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om der schare voor te leggen.

En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.

Tenoo oasht emmok o piekhristos nem pekyot en aghathos nem pi epnevma ethowab je akee ak soati emmon nai nan

Wij aanbidden U, o Christus, met Uw goede Vader en de Heilige Geest, want U bent gekomen en hebt ons verlost.

1. U die in het Negende Uur in het vlees de dood hebt gesmaakt om onzentwil, wij zondaars: dood onze vleselijke begeerten, o Christus, onze God, en verlos ons. Laat mijn smeking voor U komen, o Heer; naar Uw woord geef mij inzicht. Laat mijn bede komen voor Uw aangezicht; naar Uw woord maak mij levend.

Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

2. U, die in het Negende Uur, terwijl U aan het kruis hing, de geest in de handen van de Vader hebt bevolen en de misdadiger die met U gekruisigd werd, hebt geleid tot de toegang tot het Paradijs: verwaarloos mij niet, o Goede, en verwerp mij niet, mij, de verlorene; maar heilig mijn ziel en verlicht mijn verstand, en maak mij deelgenoot van de genade van Uw levenschenkende mysteriën; opdat ik, wanneer ik van Uw weldaden proef, U zonder lauwheid lof aanbied, verlangend naar Uw heerlijkheid boven alles, o Christus, onze Heer; en verlos ons.

Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

3. U die om onzentwil uit de Maagd geboren werd en de kruisiging verdroeg, o Goede, en door Uw dood de dood hebt vernietigd en door Uw opstanding de verrijzenis hebt geopenbaard, o God: wend U niet af van hen die U met Uw eigen handen geschapen hebt, maar toon, o Goede, Uw menslievendheid. Aanvaard van Uw moeder de voorbede voor ons. Verlos, o Heiland, een ootmoedig volk. Laat ons niet tot het einde toe los, en verlaat ons niet voor eeuwig. Breek Uw verbond niet, en neem Uw barmhartigheid niet van ons weg, omwille van Abraham, Uw vriend, Isaak, Uw dienaar, en Israël, Uw heilige.

Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

4. Toen de misdadiger de Vorst des Levens aan het kruis zag hangen, zei hij: “Als Degene die met ons gekruisigd is niet God‑mens was, zou de zon haar stralen niet hebben verborgen, en zou de aarde niet bevend hebben gebeefd. Maar U, o Almachtige die alles verdraagt, gedenk mij, o Heer, wanneer U in Uw Koninkrijk komt.”

Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

5. U die de belijdenis van de misdadiger aan het kruis hebt aanvaard, aanvaard ook ons tot U, o Goede; ons die wegens onze zonden het doodvonnis verdienen. Met hem belijden wij allen onze zonden en erkennen wij Uw godheid, en roepen met hem: “Gedenk ons, o Heer, wanneer U in Uw Koninkrijk komt.”

Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

6. Toen de Moeder het Lam en de Herder, de Heiland van de wereld, aan het kruis zag hangen, zei zij al wenend: “De wereld verheugt zich omdat zij het heil ontvangt, terwijl mijn hart brandt wanneer ik Uw kruisiging aanschouw, die U omwille van allen verdraagt, mijn Zoon en mijn God.”

Dan bidt de gelovige:

Heer, verhoor ons en ontferm U over ons en vergeef ons onze zonden. Amen.

(Heer, ontferm U) 41 keer

De Absolutie

O God, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus, Die door Zijn verschijning ons heeft gered en ons verlost heeft uit de slavernij van de vijand: wij bidden U door Zijn gezegende, grote Naam: keer onze gedachten af van wereldse bekommernis en vleselijke begeerten, tot de gedachtenis aan Uw hemelse oordelen; voltooi in ons Uw mensenliefde, o Goede; en laat onze gebeden te allen tijde, en het gebed van dit Negende Uur, voor U aangenaam zijn. En geef ons te wandelen waardig de roeping waarmee wij geroepen zijn; opdat, wanneer wij uit dit lichaam uitgaan, wij gerekend worden onder de waardig knielenden voor de lijden van Uw eniggeboren Zoon, Jezus Christus, onze Heer, en barmhartigheid en vergeving van onze zonden en heil verkrijgen met de scharen der heiligen die U waarlijk behaagd hebben van eeuwigheid tot in eeuwigheid.

O God, vernietig van ons elke kracht van de tegenstander en al zijn boze heerschare, zoals Uw eniggeboren Zoon hen vertrapt heeft door de kracht van Zijn levendmakend kruis. En neem ons tot U aan, o onze Heer Jezus Christus, zoals Gij de rechtse moordenaar hebt aangenomen terwijl Gij aan het kruishout hingt. En verlicht ons zoals Gij verlicht hebt hen die in de duisternis van het dodenrijk waren. Breng ons allen terug in het Paradijs der vreugde, want Gij, o onze Heer, zijt gezegend; en U komen toe met Uw goede Vader en de Heilige Geest de heerlijkheid, de eer, de macht, de heerschappij en de aanbidding tot in eeuwigheid. Amen.

Smeekbede gebeden aan het einde van ieder uur

Ontferm U over ons, o God, vervolgens ontferm U over ons. Gij Die te allen tijde en elk uur, in de hemel en op aarde, aanbeden en verheerlijkt wordt, Christus onze goede God, lankmoedig, veel barmhartigheid hebbend, rijk aan medelijden, Die de rechtvaardigen liefhebt en Zich ontfermt over de zondaars, van wie ik de eerste ben; Die niet wil dat de zondaar sterft, maar dat hij zich bekeert en leeft; Die allen roept tot het heil omwille van de belofte van de toekomende goederen:

Heer, neem in dit uur en in elk uur onze smeekbeden aan. Richt ons leven, en leid ons tot het doen van Uw geboden. Heilig onze zielen. Reinig onze lichamen. Richt onze gedachten op. Zuiver onze bedoelingen. Genees onze ziekten en vergeef onze zonden. Ruk ons weg van alle droeve smart en hartenpijn. Omring ons met Uw heilige engelen, opdat wij door hun leger beschermd en geleid worden, en wij mogen geraken tot de eenheid van het geloof en tot de kennis van Uw onzichtbare en onbegrensde heerlijkheid; want Gij zijt gezegend tot in eeuwigheid. Amen.

O God, maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt