Uurgebeden

Huidig uur

Vespers – Elfde Uur

Bij zonsondergang danken wij voor Gods bescherming en belijden wij onze zonden in de hoop op Zijn barmhartigheid.

Inleiding van ieder uur

In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest

de ene God. Amen.

Heer, ontferm U. Heer, ontferm U. Heer, zegen. Amen.

Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

HET ONZE VADER

Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.

Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

Het Gebed van Dankzegging

Laten wij danken de weldadige, barmhartige God, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; want Hij heeft ons beschut en bijgestaan, Hij heeft ons bewaard, en tot Zich aangenomen en Zich over ons ontfermd en ons ondersteund, en Hij heeft ons tot dit uur gebracht. Laat ons Hem ook vragen dat Hij ons in deze heilige dag en al de dagen van ons leven in alle vrede beware. De Almachtige, de Heer, onze God.

O Heer God, Almachtige, de Vader van onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus, wij danken U te allen tijde, om alles en in alles; want Gij hebt ons beschut, en Gij hebt ons geholpen, en Gij hebt ons bewaard, en Gij hebt ons tot U aangenomen, en Gij hebt U over ons ontfermd, en Gij hebt ons ondersteund, en Gij hebt ons tot dit uur gebracht.

Daarom bidden en smeken wij U uit Uw goedheid, o Gij die de mensen liefhebt: schenk ons dat wij deze heilige dag en al de dagen van ons leven in volle vrede met Uw vrees voleinden. Alle nijd, elke verzoeking, elk werk van de duivel en de samenzwering van goddeloze mensen, en het opstaan der zichtbare en onzichtbare vijanden, neem ze van ons weg en van heel Uw volk, en van deze heilige plaats van U. Doch wat goed en nuttig is, schenk het ons. Want Gij zijt Degene die ons de macht gegeven hebt om op slangen en schorpioenen en op alle kracht van de vijand te treden. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

Door de genade, de barmhartigheden en de mensenliefde van Uw eniggeboren Zoon, onze Heer, onze God en onze Verlosser Jezus Christus; door Wie U toekomt de heerlijkheid, de eer, de macht en de aanbidding, met Hem, met de levendmakende Heilige Geest, Die aan U gelijk is, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Psalm 50

Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.

Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.

Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.

Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.

Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!

En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.

Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.

Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.

Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;

Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.

Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.

Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?

Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.

En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.

Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.

Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.

Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.

Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.

Begin van het gebed

Lofzang van het Avonduur bied ik aan Christus, mijn Koning en mijn God, en ik vraag Hem mij mijn zonden te vergeven

Psalm 116

Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;

Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.

De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.

De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.

De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.

Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.

Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.

Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.

Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.

Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.

Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?

Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.

Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.

Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.

Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.

Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

Psalm 117

Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!

Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!

Psalm 119

Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.

Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;

Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.

HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.

Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!

Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.

Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.

Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.

Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.

Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.

Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.

HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.

Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.

Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.

Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.

Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.

Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.

Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.

Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.

Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.

Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.

Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.

Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.

Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.

Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.

Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.

Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.

Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.

Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.

Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.

Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.

Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.

He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.

Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.

Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.

Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.

Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.

Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.

Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.

Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.

Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;

Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.

En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.

Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.

En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.

Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.

En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.

En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.

Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.

Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.

De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.

Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.

Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.

Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.

Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.

Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.

Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.

Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.

De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.

Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.

Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.

HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.

Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.

Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.

Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.

Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.

De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.

Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.

Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.

De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.

Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.

Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.

Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.

Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.

Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.

Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.

Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.

Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.

Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.

Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?

Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.

Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?

De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.

Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.

Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.

Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.

Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.

Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;

Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.

Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.

Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.

Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.

De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.

In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.

Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.

Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.

Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.

Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.

Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!

Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.

Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.

Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.

Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.

Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.

De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.

Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.

Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.

Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.

Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.

Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.

Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.

Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.

Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.

Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.

Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.

Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.

Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.

Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.

Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.

Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.

Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.

Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.

Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.

Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.

De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.

Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.

Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.

Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.

Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.

Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.

Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.

Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.

Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.

Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.

Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.

Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.

Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.

De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.

Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.

Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.

Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.

Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.

Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.

Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.

Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.

Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.

Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.

Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.

Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.

HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.

Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.

Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.

Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.

Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.

Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.

Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.

Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.

Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.

Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.

O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.

Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.

Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.

Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.

Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.

Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.

Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.

Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.

O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.

Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.

Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.

Psalm 120

Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.

O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.

Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?

Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.

O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.

Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.

Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.

Psalm 121

Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.

Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.

Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.

De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.

De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.

De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.

De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.

Psalm 122

Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.

Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!

Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;

Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.

Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.

Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.

Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.

Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!

Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.

Psalm 123

Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.

Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.

Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.

Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

Psalm 124

Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,

Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;

Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.

Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.

Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.

De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.

Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.

Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Psalmen 125

Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.

Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.

Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.

HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.

Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!

Psalmen 126

Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.

Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.

De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.

O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

Psalmen 127

Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.

Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.

Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.

Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.

Psalmen 128

Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.

Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.

Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.

Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.

De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;

En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!

Het heilig Evangelie volgens de heilige Lucas (4:38-41)

En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.

En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.

En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidenen ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.

En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.

Tenoo oasht emmok o piekhristos nem pekyot en aghathos nem pi epnevma ethowab je akee ak soati emmon nai nan

Wij aanbidden U, o Christus, met Uw goede Vader en de Heilige Geest, want U bent gekomen en hebt ons verlost.

1. Als zelfs de rechtvaardige nauwelijks gered wordt, waar zal ik, de zondaar, dan verschijnen? De last en de hitte van de dag heb ik niet verdragen vanwege de zwakheid van mijn menszijn. Maar, o barmhartige God, reken mij bij de metgezellen van het Elfde Uur. Want zie, in ongerechtigheden ben ik verwekt, en in zonden heeft mijn moeder mij gebaard. Daarom durf ik mijn ogen niet op te heffen naar de hemel; veeleer vertrouw ik op de overvloed van Uw barmhartigheid en menslievendheid, terwijl ik uitroep: “God, wees mij, zondaar, genadig, en ontferm U over mij.”

Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

2. Haast U, o Heiland, om voor mij de vaderlijke schoot te openen, want ik heb mijn leven verkwist in genoegens en begeerten, en de dag is mij voorbijgegaan en verdwenen. Daarom vertrouw ik nu op de rijkdom van Uw onuitputtelijke barmhartigheid. Verlaat dus een onderworpen hart dat Uw ontferming nodig heeft niet. Want tot U roep ik, o Heer, ootmoedig: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor U, en ik ben niet meer waard Uw zoon te heten; maak mij als één van Uw dagloners.”

Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

3. Elke ongerechtigheid deed ik met overleg en ijver, en elke zonde bedreef ik met gretigheid en vlijt, en van alle kwelling en oordeel ben ik waardig. Bereid mij daarom de wegen van de bekering, o Vrouwe, de Maagd; tot u wend ik mij, door u zoek ik voorbede, en tot u roep ik om hulp, opdat ik niet te schande worde. En wanneer mijn ziel van mijn lichaam scheidt, wees bij mij, verijdel de samenzwering van de vijanden en sluit de poorten van Hades, opdat zij mijn ziel niet verslinden, o smetteloze bruid van de waarachtige Bruidegom.

Dan bidt de gelovige:

Heer, verhoor ons en ontferm U over ons en vergeef ons onze zonden. Amen.

(Heer, ontferm U) 41 keer

De Absolutie

Wij danken U, o onze barmhartige Koning, omdat Gij ons hebt gegeven deze dag in vrede voorbij te gaan en ons tot de avond hebt gebracht in dankzegging, en ons waardig hebt gemaakt het licht tot de avond te aanschouwen. O God, aanvaard dit onze lofprijzing die nu gebracht is. Verlos ons van de listen van de tegenstander, en vernietig al zijn voor ons opgezetten strikken. Schenk ons in de komende nacht veiligheid zonder pijn, zonder onrust, zonder moeite, zonder begoocheling; opdat wij haar ook in vrede en kuisheid doorlopen, en mogen opstaan tot lofzangen en gebeden te allen tijde en op elke plaats, Uw heilige Naam in alles verheerlijkend, met de onbegrijpelijke en onbeginlijke Vader en de levendmakende Heilige Geest, Die U gelijk is, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Smeekbede gebeden aan het einde van ieder uur

Ontferm U over ons, o God, vervolgens ontferm U over ons. Gij Die te allen tijde en elk uur, in de hemel en op aarde, aanbeden en verheerlijkt wordt, Christus onze goede God, lankmoedig, veel barmhartigheid hebbend, rijk aan medelijden, Die de rechtvaardigen liefhebt en Zich ontfermt over de zondaars, van wie ik de eerste ben; Die niet wil dat de zondaar sterft, maar dat hij zich bekeert en leeft; Die allen roept tot het heil omwille van de belofte van de toekomende goederen:

Heer, neem in dit uur en in elk uur onze smeekbeden aan. Richt ons leven, en leid ons tot het doen van Uw geboden. Heilig onze zielen. Reinig onze lichamen. Richt onze gedachten op. Zuiver onze bedoelingen. Genees onze ziekten en vergeef onze zonden. Ruk ons weg van alle droeve smart en hartenpijn. Omring ons met Uw heilige engelen, opdat wij door hun leger beschermd en geleid worden, en wij mogen geraken tot de eenheid van het geloof en tot de kennis van Uw onzichtbare en onbegrensde heerlijkheid; want Gij zijt gezegend tot in eeuwigheid. Amen.

O God, maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt...