Huidig uur
Middernachtgebed
Rond middernacht waken wij uitziend naar de komst van de Heer en gedenken wij Zijn gebed in Getsemane.
HET ONZE VADER
Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
HET GEBED VAN DANKZEGGING
Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
Psalm 50
Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.
Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.
Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
Dan zegt de gelovige:
Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.
Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.
Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
Psalm 133
Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.
Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.
Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.
Staat op, kinderen van het licht
Staat op, kinderen van het licht, laat ons de Heer der machten loven, opdat Hij ons het heil van onze zielen schenke. Wanneer wij lichamelijk voor U staan, neem dan de slaap der nalatigheid van onze gedachten weg. Geef ons, o Heer, waakzaamheid, opdat wij verstaan hoe wij voor U staan ten tijde van het gebed, en U opwaarts de U passende lof toezenden, en wij de vergeving van onze vele zonden verwerven. (Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt)
Zie, zegent de Heer, al gij knechten des Heren, die staat in het huis des Heren, in de voorhoven van onze God. In de nachten heft uw handen op naar het heilige, en zegent de Heer. Moge de Heer u zegenen uit Sion, Die hemel en aarde gemaakt heeft. (Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt)
Moge mijn smeking naderen voor Uw aanschijn, o Heer, overeenkomstig Uw woord maak mij verstandig. Moge mijn gebed binnengaan voor Uw aangezicht, o Heer; naar Uw woord maak mij levend. Mijn lippen zullen overvloedig lof laten vloeien, wanneer Gij mij Uw rechten leert. Mijn tong zal Uw woorden spreken, want al Uw geboden zijn recht. Laat Uw hand tot mijn heil zijn, want Uw geboden heb ik begeerd. Ik heb Uw heil begeerd, o Heer, en Uw wet is mijn overdenking. Moge mijn ziel leven en U loven, en Uw oordelen mij helpen. Ik ben gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw dienaar, want Uw geboden ben ik niet vergeten.
Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen. Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, van nu aan en tot in alle eeuwen der eeuwen, Amen. Eer zij U, o goede, Menslievende. Vrede aan Uw moeder, de Maagd, met al Uw heiligen. Eer zij U, o heilige Drie-eenheid, ontferm U over ons.
Laat God opstaan, en laat al Zijn vijanden verstrooid worden, en laat allen die Zijn heilige Naam haten, vluchten van voor Zijn aangezicht. Doch laat Uw volk gezegend zijn: duizenden duizenden en tienduizenden tienduizenden, die Uw wil doen. O Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal Uw lof verkondigen. Amen. Alleluia.
Begin van het gebed
Psalm 3
Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.
O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.
Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.
Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.
Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. [ (Psalms 3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]
Psalm 6
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?
Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?
Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.
Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. [ (Psalms 6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. ]
Psalm 12
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.
Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.
Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. [ (Psalms 12:9) De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden. ]
Psalm 69
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.
Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]
Psalm 85
Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.
De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.
Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.
Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.
Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?
Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?
Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.
Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.
Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.
De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.
De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.
Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]
Psalm 90
Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.
Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!
Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.
Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;
In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.
Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.
Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.
Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.
Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.
Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.
Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.
Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.
Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Psalm 116
Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.
Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.
Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.
Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.
Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
Psalm 117
Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!
Psalm 118 (I)
Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
Dat Israel nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
Het huis van Aaron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.
De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.
Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.
Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.
De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.
Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.
Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.
Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.
Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.
Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalm 118)
(1) Zalig zij die zonder smet zijn op de weg, die wandelen in de wet des Heren. Zalig zij die Zijn getuigenissen onderzoeken, die Hem met hun hele hart zoeken; ja, die geen onrecht bedrijven; zij wandelen in Zijn wegen. Gij hebt geboden dat Uw bevelen zeer zorgvuldig bewaard worden. Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw verordeningen te bewaren! Dan zal ik niet beschaamd worden, wanneer ik let op al Uw geboden. Ik zal U met oprecht hart danken, als ik de oordelen van Uw gerechtigheid geleerd heb. Ik zal Uw verordeningen bewaren; verwerp mij niet geheel en al. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(2) Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord. Met mijn gehele hart heb ik U gezocht; laat mij niet afdwalen van Uw geboden. Ik heb Uw woorden in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondige. Gij zijt gezegend, o Heer; leer mij Uw verordeningen. Met mijn lippen heb ik alle oordelen van Uw mond verteld. Ik verheugde mij in de weg van Uw getuigenissen als over alle rijkdom. Over Uw bevelen zal ik spreken en Uw wegen overdenken. In Uw inzettingen zal ik mij verlustigen; ik zal Uw woord niet vergeten. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(3) Doe wel aan Uw dienaar, opdat ik leve en Uw woord beware. Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit Uw wet. Ik ben een vreemdeling op de aarde; verberg Uw geboden voor mij niet. Mijn ziel is verteerd van verlangen naar Uw oordelen te allen tijde. Gij hebt de hovaardigen gestraft, de vervloekten, die van Uw geboden afdwalen. Neem van mij weg smaad en verachting, want ik heb Uw getuigenissen gezocht. Vorsten zaten en spraken tegen mij; doch Uw dienaar overlegde Uw verordeningen, want Uw getuigenissen zijn mijn betrachting, en Uw verordeningen mijn raadslieden. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(4) Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord. Ik verhaalde mijn wegen, en Gij antwoorddet mij; leer mij Uw verordeningen. Geef mij het pad van Uw bevelen te verstaan; dan zal ik spreken van Uw wonderen. Mijn ziel weent van verdriet; versterk mij naar Uw woord. Doe van mij weg de weg der leugen, en schenk mij genadig Uw wet. Ik heb de weg der waarheid verkoren; Uw oordelen heb ik mij voorgesteld. Ik kleef aan Uw getuigenissen; o Heer, maak mij niet beschaamd. Op de weg van Uw geboden zal ik lopen, wanneer Gij mijn hart verruimt. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(5) Stel mij, o Heer, een wet op de weg van Uw verordeningen, en ik zal die bewaren tot het einde. Geef mij verstand, opdat ik Uw wet onderzoeke en die met mijn ganse hart beware. Doe mij treden in het pad van Uw geboden, want daarin heb ik lust. Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid. Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend op Uw wegen. Bevestig Uw woord aan Uw dienaar, dat tot Uw vreze is. Neem van mij weg de smaad, waarvan ik bang ben; want Uw oordelen zijn goed. Zie, ik heb lust tot Uw bevelen; maak mij levend in Uw gerechtigheid. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(6) Laat over mij komen Uw barmhartigheden, o Heer, en Uw heil naar Uw woord; zo zal ik antwoorden die mij honen, want ik vertrouw op Uw woorden. Trek het woord der waarheid niet gans van mijn mond, want ik heb gehoopt op Uw oordelen. Ik zal Uw wet bewaren gedurig, tot in eeuwigheid en altoos. En ik zal in ruime plaats wandelen, want ik heb Uw bevelen gezocht. Ik zal van Uw getuigenissen spreken voor koningen en niet beschaamd worden. En ik zal mij verlustigen in Uw geboden, die ik liefheb. Ook zal ik mijn handen opheffen tot Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen overdenken. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(7) Gedenk aan Uw woord tot Uw dienaar, waarop Gij mij doen hopen hebt. Dit is mijn troost in mijn ellende, dat Uw woord mij levend gemaakt heeft. De hovaardigen hebben mij ten uiterste bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet afgeweken. Ik heb, o Heer, gedacht aan Uw oordelen van oudsher, en heb mij getroost. Wanhoop heeft mij aangegrepen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten. Uw verordeningen zijn mij liederen geweest in het huis mijner vreemdelingschap. Ik heb in de nacht gedacht aan Uw Naam, o Heer, en ik heb Uw wet bewaard. Dit is mijne, omdat ik Uw bevelen heb bewaard. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(8) Gij zijt mijn deel, o Heer; ik heb gezegd: dat ik Uw woorden zal bewaren. Ik heb Uw aanschijn gunstig geprezen met mijn ganse hart; wees mij genadig naar Uw woord. Ik heb mijn wegen overdacht, en mijn voeten gewend tot Uw getuigenissen. Ik heb mij gehaast en niet geaarzeld om Uw geboden te bewaren. De strikken der goddelozen hebben mij omringd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten. Te middernacht sta ik op om U te loven over de oordelen van Uw gerechtigheid. Ik ben een metgezel van allen die U vrezen, en van hen die Uw bevelen bewaren. Van Uw barmhartigheid, o Heer, is de aarde vol; leer mij Uw verordeningen. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(9) Gij hebt Uw dienaar welgedaan, o Heer, naar Uw woord: goedheid en tucht en kennis, leer mij, want ik heb Uw geboden geloofd. Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik; daarom bewaar ik Uw woord. Gij zijt goed, en doet wel; leer mij Uw verordeningen. De hovaardigen hebben leugen op mij gesmeed; ik zal met mijn ganse hart Uw bevelen bewaren. Hun hart is vet geworden als spek; maar ik verlustig mij in Uw wet. Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw verordeningen zou leren. De wet van Uw mond is mij beter dan duizenden van goud en zilver. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(10) Uw handen hebben mij gemaakt en toebereid; geef mij verstand, opdat ik Uw geboden leer. Die U vrezen, zullen mij zien en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. Ik weet, o Heer, dat Uw oordelen recht zijn, en Gij mij in trouw verdrukt hebt. Laat toch Uw barmhartigheid tot mijn vertroosting zijn, naar Uw toezegging aan Uw dienaar. Laat Uw barmhartigheden tot mij komen, opdat ik leve; want Uw wet is mijn betrachting. Laat de hovaardigen beschaamd worden, want zij hebben mij onrechtvaardig verdrukt; ik echter zal mij buigen over Uw bevelen. Laat zich tot mij keren die U vrezen en Uw getuigenissen kennen. Laat mijn hart onberispelijk zijn in Uw verordeningen, opdat ik niet beschaamd worde. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(11) Mijn ziel heeft verlangd naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. Mijn ogen zijn bezweken van Uw woord te verwachten, zeggende: Wanneer zult Gij mij troosten? Want ik ben geworden als een lederen zak in de rook; nochtans vergeet ik Uw verordeningen niet. Hoeveel zijn de dagen van Uw dienaar? Wanneer zult Gij recht doen aan mijn vervolgers? De goddelozen hebben mij kuilen gegraven, niet naar Uw wet. Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij zonder oorzaak; help mij. Zij hadden mij bijna verteerd op aarde; maar ik heb Uw bevelen niet verlaten. Maak mij levend naar Uw goedertierenheid; zo zal ik het getuigenis van Uw mond bewaren. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(12) O Heer, Uw woord bestaat in de hemelen, tot in eeuwigheid. Van geslacht tot geslacht is Uw trouw. Gij hebt de aarde bevestigd, zodat zij blijft. Naar Uw verordening bestaan zij tot op deze dag; want zij alle zijn Uw knechten. Indien Uw wet mijn betrachting niet ware geweest, zo ware ik in mijn ellende vergaan. Ik zal Uw bevelen nimmermeer vergeten; want daardoor hebt Gij mij levend gemaakt. Ik ben de Uwe: verlos mij, want ik heb Uw bevelen gezocht. De goddelozen loeren op mij, om mij te verderven; ik let op Uw getuigenissen. Aan alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(13) Hoe lief heb ik Uw wet! zij is mijn overdenking de gehele dag. Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden; want het is immer bij mij. Ik heb meer verstand dan al mijn leraren; want Uw getuigenissen zijn mijn betrachting. Ik heb meer inzicht dan de ouden; want ik bewaar Uw bevelen. Van alle boze weg heb ik mijn voeten ingehouden, opdat ik Uw woord zou bewaren. Van Uw oordelen wijk ik niet af; want Gij hebt mij onderwezen. Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte, meer dan honing voor mijn mond! Door Uw bevelen word ik verstandig; daarom haat ik alle pad der leugen. (Want Gij hebt mij een wet gegeven.) (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(14) Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Ik heb gezworen en zal het bevestigen, dat ik de oordelen van Uw gerechtigheid zal bewaren. Ik ben zeer vernederd; maak mij levend, o Heer, naar Uw woord. Neem aan, o Heer, de vrijwillige offers van mijn mond, en leer mij Uw oordelen. Mijn ziel is voortdurend in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet. De goddelozen hebben mij een strik gelegd; maar ik dwaalde niet van Uw bevelen. Ik heb Uw getuigenissen tot een erfdeel voor eeuwig; want zij zijn de verheuging van mijn hart. Ik heb mijn hart geneigd om Uw inzetting te doen, voor altoos, tot vergelding toe. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(15) Ik haat de onstandvastigen, maar Uw wet heb ik lief. Gij zijt mijn schuilplaats en mijn schild; op Uw woord heb ik gehoopt. Wijk van mij, gij boosdoeners; ik zal de geboden van mijn God bewaren. Ondersteun mij naar Uw woord, opdat ik leve, en maak mij niet beschaamd in mijn verwachting. Help mij, zo zal ik verlost worden, en ik zal mij onophoudelijk in Uw verordeningen verheugen. Gij hebt al degenen veracht die van Uw verordeningen afdwalen; want hun bedrog is leugen. Gij werpt alle goddelozen der aarde af als slak; daarom heb ik Uw getuigenissen lief. Mijn vlees siddert van schrik voor U; en ik ben bevreesd voor Uw oordelen. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(16) Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn verdrukkers. Wees borg voor Uw dienaar ten goede; laat de hovaardigen mij niet overweldigen. Mijn ogen zijn bezweken van Uw heil te verwachten, en van het woord van Uw gerechtigheid. Doe met Uw dienaar naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw verordeningen. Ik ben Uw dienaar; geef mij verstand, opdat ik Uw getuigenissen kenne. Het is tijd voor de Heer om te handelen; zij hebben Uw wet verbroken. Daarom heb ik Uw geboden lief boven goud, ja, boven fijn goud. Daarom acht ik al Uw bevelen aangaande alles recht; en alle weg der leugen haat ik. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(17) Wonderbaar zijn Uw getuigenissen; daarom bewaart ze mijn ziel. De opening van Uw woorden geeft licht; zij geeft de slechten verstand. Ik opende mijn mond en hijgde; want ik heb naar Uw geboden gesmacht. Wend U tot mij en wees mij genadig, gelijk Gij doet aan hen die Uw Naam liefhebben. Richt mijn voetstappen in Uw woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. Verlos mij van de onderdrukking der mensen; zo zal ik Uw bevelen bewaren. Doe Uw aangezicht lichten over Uw dienaar, en leer mij Uw verordeningen. Mijn ogen vloeien van waterbeken, omdat zij Uw wet niet houden. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(18) Rechtvaardig zijt Gij, o Heer, en Uw oordelen zijn recht. Gij hebt Uw getuigenissen in gerechtigheid en grote trouw geboden. Mijn ijver heeft mij verteerd, omdat mijn tegenstanders Uw woorden vergeten hebben. Uw woord is zeer gelouterd; daarom heeft Uw dienaar het lief. Ik ben klein en veracht; nochtans vergeet ik Uw verordeningen niet. Uw gerechtigheid is een eeuwige gerechtigheid, en Uw wet is waarheid. Benauwdheid en angst hebben mij aangegrepen; Uw geboden zijn mijn betrachting. Uw getuigenissen zijn recht tot in eeuwigheid; geef mij verstand, zo zal ik leven. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(19) Met mijn ganse hart roep ik; verhoor mij, o Heer; ik zal Uw verordeningen bewaren. Tot U roep ik: verlos mij; zo zal ik Uw getuigenissen bewaren. Ik kom de dageraad vóór, en roep; op Uw woord heb ik gehoopt. Mijn ogen gaan de nachtwaken vóór, om te overdenken Uw woord. Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o Heer; maak mij levend naar Uw recht. De nabijkomenden van het kwaad hebben mij genaderd; zij zijn van Uw wet afgeweken. Gij zijt nabij, o Heer, en al Uw geboden zijn waarheid. Van oudsher heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze tot in eeuwigheid gegrond hebt. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(20) Aanschouw mijn ellende en red mij, want Uw wet heb ik niet vergeten. Voer mijn twistzaak en verlos mij; maak mij levend naar Uw woord. De verlossing is verre van de goddelozen; want zij zoeken Uw verordeningen niet. Uw barmhartigheden zijn vele, o Heer; maak mij levend naar Uw oordelen. Velen zijn mijn vervolgers en mijn tegenstanders; nochtans wijk ik van Uw getuigenissen niet. Ik zag de trouwelozen en had een afkeer, omdat zij Uw woord niet onderhouden. Zie, ik heb Uw bevelen lief; o Heer, maak mij levend naar Uw goedertierenheid. De som van Uw woord is waarheid; en al Uw rechtvaardige oordelen zijn tot in eeuwigheid. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(21) Vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart vreest voor Uw woorden. Ik verheug mij over Uw woord als een die grote buit vindt. Ik haat en verafschuw de leugen; Uw wet heb ik lief. Zevenmaal daags heb ik U geprezen over Uw rechtvaardige oordelen. Vrede is in overvloed voor hen die Uw Naam liefhebben, en voor hen is er geen struikelen. Ik heb Uw heil verwacht, o Heer, en Uw geboden heb ik liefgehad. Mijn ziel heeft Uw getuigenissen bewaard, en ik heb ze zeer lief. Ik heb Uw geboden en Uw getuigenissen bewaard; want al mijn wegen zijn voor U. (ذكصاسي فيلا نيثروبي: Eer zij U, o Gij die de mensen liefhebt Doxa ci Vilan`;rwpe)
(22) Laat mijn smeking naderen voor Uw aanschijn, o Heer; geef mij verstand naar Uw woord. Laat mijn bede tot U komen; maak mij levend naar Uw uitspraak. Mijn lippen zullen lof overvloedig uitstorten, wanneer Gij mij Uw verordeningen leert. Mijn tong zal spreken van Uw woord, want al Uw geboden zijn recht. Laat Uw hand mij tot heil zijn, want ik heb Uw bevelen begeerd. Ik heb Uw heil begeerd, o Heer, en Uw wet is mijn betrachting. Laat mijn ziel leven en U loven, en Uw oordelen mij helpen. Ik ben verdwaald als een verloren schaap; zoek Uw dienaar, want Uw geboden ben ik niet vergeten. Alleluia.
(Evangelie volgens Mattheüs 25:1-13) Toen zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, die hun lampen namen en uitgingen, de bruidegom tegemoet. En vijf van hen waren dwaas en vijf wijs. Die dwaas waren, namen wel hun lampen, maar namen geen olie met zich. Maar de wijzen namen olie in hun kruikjes, met hun lampen. Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen dommelig en sliepen in. En te middernacht geschiedde een geroep: Zie, de bruidegom komt; gaat uit, hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op en bereidden hun lampen. En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijzen antwoordden, zeggende: Misschien zal er voor ons en voor u niet genoeg zijn; gaat liever tot de verkopers en koopt voor uzelven. Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft; en de deur werd gesloten. Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! Maar hij antwoordde en zeide: Voorwaar, Ik zeg u: Ik ken u niet. Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur, waarin de Zoon des mensen komen zal. (en de heerlijkheid zij God altijd).
De Secties (Tropar)
Zie, de Bruidegom komt in het midden van de nacht; zalig de dienstknecht die Hij wakende zal vinden. Doch wie Hij in achteloosheid zal vinden, die is niet waard met Hem in te gaan. Let daarom op, mijn ziel, opdat gij niet door slaap bezwaard wordt en buiten het Koninkrijk geworpen wordt; maar waak en roep, zeggende: Heilig, heilig, heilig zijt Gij, o God; omwille van de Moeder van God, ontferm U over ons. (ذوكصابتري كيه إيو كي آجيو ابنيفماتي Δόξα Πατρί καὶ Υἱῷ καὶ Ἁγίῳ Πνεύματι - Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest).
Begrijp, mijn ziel, die vreselijke dag, en ontwaak; en ontsteken uw lamp met de olie der vreugde. Want gij weet niet wanneer tot u komt de stem, zeggende: Zie, de Bruidegom is gekomen. Zie toe, mijn ziel, dat gij niet sluimert, opdat gij niet buiten staande klopt, als de vijf dwaze maagden; maar waak, smekende, opdat gij Christus de Heer moge ontmoeten met rijke olie, en Hij u moge vergunnen deel te hebben aan de bruiloft van Zijn goddelijke, ware heerlijkheid. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
Gij zijt onze muur van heil, o Moeder van God, Maagd; de onneembare, ongeschonden vesting. Vernietig de raad van de tegenstander; keer de droefheid van Uw dienaren om tot vreugde; schut onze stad (ons klooster); strijd tegen onze koningen (overheden); en spreek ten beste voor de vrede van de wereld; want Gij zijt onze hoop, o Moeder van God. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
O hemelse Koning, de Trooster, Geest der waarheid, Die overal zijt en alles vervult, Schat van het goede en Gever van het leven: kom, daal genadig in ons neer, en reinig ons van alle bevlekking, o Goede, en red onze zielen. (ذوكصابتري كيه إيو كي آجيو ابنيفماتي Δόξα Πατρί καὶ Υἱῷ καὶ Ἁγίῳ Πνεύματι - Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest).
Zoals Gij bij Uw discipelen waart, o Heiland, en hun vrede hebt gegeven, kom ook tot ons en schenk ons Uw vrede, red ons en verlos onze zielen. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
Wanneer wij in Uw heilige tempel staan, worden wij gerekend alsof wij in de hemel staan. O Moeder van God, Gij zijt de Poort des hemels; open voor ons de poort van barmhartigheid.
Κύριε ἐλέησον Kyrie eleison (Heer, ontferm U) 41 keer
Heilig, heilig, heilig
Heilig, heilig, heilig, Heer der heerscharen. Hemel en aarde zijn vol van Uw heerlijkheid en eer. Ontferm U over ons, o God de Vader, de Almachtige. O heilige Drie-eenheid, ontferm U over ons. O Heer, God der machten, wees met ons, want wij hebben in onze benauwdheden en verdrukkingen geen andere helper dan U.
Ontsla ons, vergeef en verduur onze misdaden, o God, die wij willens en onwillens gedaan hebben, die wij met kennis en zonder kennis gedaan hebben, de verborgene en de openbare. O Heer, vergeef ze ons omwille van Uw heilige Naam dat over ons is uitgeroepen. Naar Uw barmhartigheid, o Heer, en niet naar onze zonden.
En maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt..
De tweede Wacht
Psalm 118 (VIII)
Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.
En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.
Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.
Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.
Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;
Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.
Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.
Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.
Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalm 118 (IX)
Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.
Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
Psalm 118 (X)
Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.
Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.
De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Psalm 118 (XI)
Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!
Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.
Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.
Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.
Psalm 118 (XII)
Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.
Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
Psalm 118 (XIII)
Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,
Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;
Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.
Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.
Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.
De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.
Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Psalm 118 (XIV)
Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
Psalm 118 (XV)
Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.
Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.
Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.
Psalm 118 (XVI)
Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Psalm 118 (XVII)
Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.
Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.
Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.
Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
Psalm honderdzevenentwintig
Zalig allen die de Heer vrezen, die wandelen op Zijn wegen. Gij zult eten van de vrucht uwer arbeid; zalig zijt gij en het zal u wel gaan. Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw zonen als jonge olijfscheuten rondom uw tafel. Zie, alzo zal de man gezegend worden die de Heer vreest. De Heer zal u zegenen uit Sion; en gij zult het goede van Jeruzalem zien al de dagen uws levens; en gij zult de kinderen uwer kinderen zien. Vrede over Israël. Alleluia.
Psalm honderdachtentwintig
Vele malen hebben zij mij benauwd van mijn jeugd af – zo zegge Israël – vele malen hebben zij mij benauwd van mijn jeugd af, maar zij hebben niet tegen mij kunnen overmogen. Op mijn rug hebben de zondaars geploegd; zij hebben hun ploegvoren lang gemaakt. De Heer is rechtvaardig; Hij heeft de touwen der goddelozen afgehouwen. Laat beschaamd worden en achterwaarts keren allen die Sion haten; laat hen zijn als gras op de daken, dat verdort, eer men het uittrekt; waarvan de maaier zijn hand niet vult, noch die schoven bindt zijn schoot. Ook zeggen de voorbijgangers niet: De zegen des Heren zij over u; wij zegenen u in de Naam des Heren. Alleluia.
(Evangelie volgens Lucas 7:36-50) En een van de Farizeeën bad Hem, dat Hij met hem ete; en toen Hij in het huis van de Farizeeër ingegaan was, zat Hij aan. En zie, er was een vrouw in de stad, die zondares was; en toen zij vernam dat Hij aanzat in het huis van de Farizeeër, bracht zij een albasten fles met zalf; en staande achter aan Zijn voeten wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde die af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf. Als nu de Farizeeër die Hem genodigd had, dat zag, sprak hij bij zichzelf, zeggende: Indien Deze een profeet ware, Hij zou wel weten wie en hoedanige de vrouw is die Hem aanraakt, want zij is een zondares. En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Simon, Ik heb u wat te zeggen. En hij zeide: Meester, zeg het. Een schuldeiser had twee schuldenaren; de een was vijfhonderd penningen schuldig, en de ander vijftig. En daar zij niet hadden om te betalen, schonk hij het hun beiden. Zeg dan, wie van hen zal hem het meest liefhebben? En Simon antwoordde en zeide: Ik acht, die hij het meest geschonken heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld. En Zich omkerende tot de vrouw, zeide Hij tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, water voor Mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd. Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze heeft, van de tijd af dat Ik ingekomen ben, niet opgehouden Mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd. Daarom zeg Ik u: haar zonden, die vele zijn, zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar wien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelf: Wie is Deze, die ook de zonden vergeeft? En Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. (en de heerlijkheid zij God altijd.)
De Secties (Tropar)
Geef mij, o Heer, vele bronnen van tranen, zoals Gij sinds oud gegeven hebt aan de zondares; en maak mij waardig Uw voeten nat te maken, die mij van de weg der dwaling hebben verlost; en U een voortreffelijke zalf aan te bieden; en mij een rein leven door bekering te verwerven; opdat ik dat met vreugde vervulde woord moge horen: Uw geloof heeft u behouden. (ذوكصابتري كيه إيو كي آجيو ابنيفماتي Δόξα Πατρί καὶ Υἱῷ καὶ Ἁγίῳ Πνεύματι - Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest).
Wanneer ik nadenk over de veelheid van mijn kwade werken, en de gedachte aan dat vreselijke oordeel in mijn hart komt, grijpt mij beving aan; en ik vlucht tot U, o God, Gij die de mensen liefhebt. Wend Uw aangezicht niet van mij af, terwijl ik tot U bid, Gij alleen zonder zonde; schenk mijn ellendige ziel ootmoed vóór het einde komt, en red mij. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
De hemelen prijzen u zalig, o gij vol van genade, de ongetrouwde Bruid; en ook wij verheerlijken uw onbegrijpelijke geboorte. O Moeder van God, o Moeder van barmhartigheid en heil, spreek ten beste voor het heil van onze zielen. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
O hemelse Koning, de Trooster, Geest der waarheid, Die overal zijt en alles vervult, Schat van het goede en Gever van het leven: kom, daal genadig in ons neer, en reinig ons van alle bevlekking, o Goede, en red onze zielen. (ذوكصابتري كيه إيو كي آجيو ابنيفماتي Δόξα Πατρί καὶ Υἱῷ καὶ Ἁγίῳ Πνεύματι - Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest).
Zoals Gij bij Uw discipelen waart, o Heiland, en hun vrede hebt gegeven, kom ook tot ons en schenk ons Uw vrede, red ons en verlos onze zielen. (كي نين، كي آ إي، كي ايستوس إي أوناس تون إي أونون آمين Καὶ νῦν καὶ ἀεὶ καὶ εἰς τοὺς αἰῶνας τῶν αἰώνων. Ἀμήν - nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen).
Wanneer wij in Uw heilige tempel staan, worden wij gerekend alsof wij in de hemel staan. O Moeder van God, Gij zijt de Poort des hemels; open voor ons de poort van barmhartigheid.
Κύριε ἐλέησον Kyrie eleison (Heer, ontferm U) 41 keer
De Drievoudige Heiliging
Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke, Die uit de Maagd geboren werd, ontferm U over ons. Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke, Die voor ons gekruisigd werd, ontferm U over ons. Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke, Die uit de doden opstond en opvoer naar de hemelen, ontferm U over ons. Eer zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen. O heilige Drie-eenheid, ontferm U over ons. O heilige Drie-eenheid, ontferm U over ons. O heilige Drie-eenheid, ontferm U over ons.
Heer, vergeef ons onze zonden. Heer, vergeef ons onze ongerechtigheden. Heer, vergeef ons onze misstappen. Heer, bezoek de zieken van Uw volk, genees hen omwille van Uw heilige Naam. Onze vaders en broeders die ontslapen zijn, o Heer, geef rust aan hun zielen. Gij die zonder zonde zijt, o Heer, ontferm U over ons. Gij die zonder zonde zijt, o Heer, help ons, en neem onze smeekbeden tot U aan. Want U komt toe de heerlijkheid en de macht en de drievoudige heiliging. Heer, ontferm U. Heer, ontferm U. Heer, zegen. Amen.
En maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt....
Tenoo oasht emmok o piekhristos nem pekyot en aghathos nem pi epnevma ethowab je akee ak soati emmon nai nan
Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;
Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.
Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.
Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;
Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
Dan bidt de gelovige:
Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
Israel hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.
HEILIG, HEILIG, HEILIG
Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.
Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.
Slotgebed van elk uur
Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;
Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:
Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!
Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.
Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:
Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.
Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.
Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
De tweede nachtwake
Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.
Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.
Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.
Psalm 119
Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.
En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.
Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.
Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.
Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;
Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.
Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.
Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.
Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalm 120
Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.
Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
Psalm 121
Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.
Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.
De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Psalm 122
Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!
Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.
Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.
Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.
Psalm 123
Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.
Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
Psalm 124
Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,
Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;
Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.
Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.
Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.
De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.
Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Psalmen 125
Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israels verdrevenen.
Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.
Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.
Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.
Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;
Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.
De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.
Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.
Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette der tarwe.
Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.
Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.
Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?
Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.
Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israel Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
(10) Psalm honderdvijfenveertig
Loof de Heer, mijn ziel; ik zal de Heer loven in mijn leven, ik zal psalmzingen voor mijn God zolang ik ben. Vertrouwt niet op prinsen, op mensenkinderen, bij wie geen heil is. Zijn geest gaat uit, hij keert weder tot zijn aarde; te dien dage vergaan al zijn plannen.
Welzalig hij, wiens Helper de God van Jakob is, wiens hoop is op de Heer, zijn God; Die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is; Die trouw houdt tot in eeuwigheid; Die recht doet den verdrukten; Die brood geeft den hongerigen. De Heer maakt de gevangenen los; de Heer opent de ogen der blinden; de Heer richt de gebogenen op; de Heer heeft de rechtvaardigen lief; de Heer bewaart de vreemdelingen, Hij ondersteunt de wees en de weduwe, maar Hij keert de weg der goddelozen om. De Heer zal Koning zijn tot in eeuwigheid; uw God, o Sion, van geslacht tot geslacht. Alleluia.
(11) Psalm honderdzesenveertig
Looft de Heer, want het psalmzingen is goed; want het lofzingen is liefelijk voor onze God. De Heer bouwt Jeruzalem; Hij vergadert de verdrevenen van Israël. Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hun wonden. Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze alle bij name. Groot is onze Heer, en groot is Zijn kracht; Zijn verstand is zonder getal. De Heer richt de zachtmoedigen op; Hij vernedert de goddelozen tot de aarde.
Begint de Heer te belijden; psalmzingt voor onze God met de harp; Die de hemel met wolken bedekt; Die voor de aarde regen bereidt; Die op de bergen gras doet spruiten; en kruid ten dienste van de mensen; en geeft het vee zijn spijs, en de jonge raven, als zij roepen. Hij heeft geen lust aan de kracht des paards; Hij heeft geen behagen aan de benen des mans; de Heer heeft behagen in hen die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Alleluia.
(12) Psalm honderdzevenenveertig
Loof de Heer, o Jeruzalem; loof uw God, o Sion; want Hij heeft de grendelen van uw poorten sterk gemaakt; Hij heeft uw kinderen in uw midden gezegend. Hij maakt uw grenzen vrede; Hij verzadigt u met het beste van de tarwe. Hij zendt Zijn woord op aarde; Zijn rede loopt zeer snel. Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit rijm als as. Hij werpt Zijn ijs als stukken; wie kan bestaan voor Zijn koude? Hij zendt Zijn woord en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien. Hij maakt Jakob Zijn woord bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn oordelen. Alzo heeft Hij geen volk gedaan, en Zijn oordelen, die kennen zij niet. Alleluia.
(Evangelie volgens Lucas 12:32-46) Vrees niet, gij klein kuddeke, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven. Verkoopt wat gij hebt en geeft aalmoezen; maakt u beurzen die niet verouden, een schat in de hemelen die niet vergaat, waar geen dief bijkomt en die geen mot verderft. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Laat uw lendenen omgord zijn, en de lampen brandende; en weest gij mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij zal wederkomen van de bruiloft; opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, wakende zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en hen zal doen aanliggen, en bij hen gaan en hen dienen. En zo hij in de tweede wacht komt, of in de derde wacht komt, en vindt hen alzo, zalig zijn die dienstknechten. Dit weet echter: als de heer des huizes wist, in welke ure de dief komen zou, hij zou waken en niet toelaten, dat men in zijn huis inbrak. Weest dan ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
En Petrus zeide tot Hem: Heer, zegt Gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen? En de Heer zeide: Wie is dan de getrouwe en wijze rentmeester, die de heer zal aanstellen over zijn huisgezin, om hun op tijd hun deel spijze te geven? Zalig die dienstknecht, welke zijn heer, als hij komt, zal vinden alzo doende. Waarlijk, Ik zeg u, dat hij hem zal aanstellen over al zijn goederen. Maar indien die dienstknecht in zijn hart zegt: Mijn heer vertoeft te komen, en zal beginnen de dienstknechten en dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden, zo zal de heer van die dienstknecht komen op een dag dat hij het niet verwacht, en op een ure die hij niet weet, en zal hem in tweeën houwen, en zijn deel zetten met de ongelovigen. (en de heerlijkheid zij God altijd)
Het heilig Evangelie volgens de heilige Lucas (7:36-50)
En een der Farizeen bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeers huis, zat Hij aan.
En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in des Farizeers huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf.
En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf.
En de Farizeer, die Hem genood had, zulks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende: Deze, indien Hij een profeet ware, zou wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.
En Jezus antwoordende, zeide tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het.
Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig;
En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben?
En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.
En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd.
Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen.
Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.
Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.
En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?
Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.
Tenoo oasht emmok o piekhristos nem pekyot en aghathos nem pi epnevma ethowab je akee ak soati emmon nai nan
Wij aanbidden U, o Christus, met Uw goede Vader en de Heilige Geest, want U bent gekomen en hebt ons verlost.
1. Geef mij, o Heer, vele bronnen van tranen, zoals U eertijds de zondige vrouw gegeven hebt. Maak mij waardig om Uw voeten te wassen, die mij van de dwaalweg bevrijdden, en U kostbare welriekende olie te offeren, en door bekering een rein leven te verkrijgen, zodat ik die stem vol vreugde mag horen: “Uw geloof heeft u gered.”
Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati
Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
2. Wanneer ik mijn vele goddeloze daden inzie, en de gedachte aan dat ontzaglijke oordeel in mijn hart komt, grijpt mij beven aan; ik neem mijn toevlucht tot U, o God, Liefhebber van de mens. Wend daarom Uw gelaat niet van mij af, ik smeek U, Gij alleen zijt zonder zonde. Schenk ootmoed aan mijn arme ziel, vóórdat het einde komt, en red mij.
Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
3. De hemelen zegenen u, o vol van genade, de Ongehuwde Bruid. Ook wij verheerlijken uw ondoorgrondelijke geboorte. O Theotokos, moeder van barmhartigheid en heil, pleit voor de redding van onze zielen.
Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
4. O Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, die overal zijt en alles vervult, de schatkamer van de goede gaven en de Levensgever, kom genadig, en woon in ons en reinig ons van alle onreinheid, o Goede, en red onze zielen.
Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati
Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
5. Zoals U bij Uw discipelen waart en hun vrede gaf, kom genadig ook tot ons en wees met ons, en schenk ons Uw vrede, en red ons, en verlos onze zielen.
Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
6. Telkens wanneer wij in Uw heilig heiligdom staan, worden wij geacht in de hemel te staan. O Theotokos, U bent de poort van de hemel; open voor ons de poort van barmhartigheid.
Dan bidt de gelovige:
Heer, verhoor ons en ontferm U over ons en vergeef ons onze zonden. Amen.
(Heer, ontferm U) 41 keer
De heilige orthodoxe Geloofsbelijdenis
Waarlijk, wij geloven in één God, God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, van al het zichtbare en onzichtbare.
En in één Heer Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen: Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader; door Wie alles geworden is. Die om ons mensen en om ons heil is neergedaald uit de hemelen, en vlees is geworden uit de Heilige Geest en de Maagd Maria, en mens geworden is. Die voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is, en op de derde dag is opgestaan uit de doden, overeenkomstig de Schriften, en is opgevaren naar de hemelen, en zit aan de rechterhand van Zijn Vader; en Hij zal wederkomen in heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; aan Wiens koninkrijk geen einde zal zijn.
Ja, wij geloven in de Heilige Geest, de Heer, de Levendmaker, Die uit de Vader voortkomt. Wij aanbidden en verheerlijken Hem samen met de Vader en de Zoon; Die gesproken heeft door de profeten.
En in één, heilige, katholieke en apostolische Kerk.
Wij belijden één doop tot vergeving van de zonden.
Wij verwachten de opstanding der doden en het leven van de komende eeuw. Amen.
Κύριε ἐλέησον Kyrie eleison (Heer, ontferm U) 41 keer
Psalm 129
Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;
Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.
Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.
Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;
Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
Psalm 131
Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.
Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.
Psalm 132
Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;
Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:
Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!
Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.
Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:
Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.
Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.
Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
Psalm 133
Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.
Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.
Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.