Uurgebeden

Huidig uur

Gebed van het Voorhangsel

Het Gebed van het Voorhangsel, gebeden tussen Completen en het Middernachtgebed, wordt vooral door monniken, priesters en bisschoppen gebeden als middel tot zelfonderzoek vóór de slaap.

Het gebed van het Avonduur dat genoemd wordt het Uur van het Sluiervan de duisternis, of het Gordijn van de duisternis (Sittar met korte i), en zijn tijd is bij het invallen van de avondschemering; het is eigen aan de monnikenvaders.

HET ONZE VADER

Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.

Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

HET GEBED VAN DANKZEGGING

Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.

Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

Psalm 50

Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.

Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.

Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.

Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.

Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!

En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.

Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.

Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.

Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;

Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.

Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.

Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?

Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.

En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.

Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.

Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.

Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.

Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.

Het gezegende Gebed van het Voorhangsel,

Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.

Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.

Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.

Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.

Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!

En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.

Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.

Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.

Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;

Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.

Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.

Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?

Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.

En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.

Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.

Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.

Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.

Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.

Psalm 4

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.

Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.

Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.

Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.

Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.

Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!

Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. [ (Psalms 4:9) Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen. ]

Psalm 6

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.

O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.

Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.

De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. [ (Psalms 6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. ]

Psalm 8

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.

O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;

Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?

Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt. [ (Psalms 8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! ]

Psalm 12

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.

Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.

Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.

De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. [ (Psalms 12:9) De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden. ]

Psalm 15

Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?

Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;

Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;

In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;

Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.

Psalm 24

Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.

Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.

Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?

Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;

Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.

Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.

Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!

Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.

Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!

Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.

Psalm 26

Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.

Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.

Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.

Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.

Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!

Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.

HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.

Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;

In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.

Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.

Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.

Psalm 66

Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!

Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.

Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.

De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.

Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.

Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.

Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.

Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.

Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.

Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;

Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;

Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.

Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,

Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.

Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.

Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.

Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.

Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.

Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.

Psalm 69

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.

Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.

Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!

Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.

Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.

Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.

En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.

Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.

Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.

Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.

Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.

Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.

Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.

De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.

Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.

Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.

Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.

Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.

Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.

Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.

Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.

Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.

En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.

De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.

Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.

Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.

Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]

De volgende psalmen zijn gekozen uit het Derde Uur:

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.

Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.

Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!

Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.

Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.

Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.

En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.

Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.

Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.

Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.

Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.

Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.

Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.

De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.

Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.

Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.

Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.

Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.

Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.

Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.

Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.

Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.

En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.

De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.

Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.

Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.

Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]

Psalm 22

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.

Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?

Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.

Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.

Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.

Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.

Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:

Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!

Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.

Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.

Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.

Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.

Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.

Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.

Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.

Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.

Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.

Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.

Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!

Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.

Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.

De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.

Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.

Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.

Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.

Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten. [ (Psalms 22:32) Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft. ]

Psalm 29

Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.

Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.

De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.

De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.

De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.

En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.

De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.

De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.

De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.

De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.

De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.

Psalm 42

Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!

Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?

Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.

O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.

De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.

Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.

Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? [ (Psalms 42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. ]

De volgende psalmen zijn gekozen uit het Zesde Uur:

Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.

Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.

Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?

Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.

Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!

Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?

Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.

In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.

Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?

O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]

Psalm 56

Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.

Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.

Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?

Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.

Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!

Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?

Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.

In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.

Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?

O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]

Psalm 85

Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.

De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.

Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.

Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.

Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?

Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.

Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.

Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.

De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.

De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.

Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]

Psalm 90

Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.

Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.

Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!

Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.

Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;

In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.

Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.

Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.

Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.

Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.

Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.

Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.

En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

Psalm honderdnegen

De Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal leggen als een voetbank voor Uw voeten. De scepter van Uw kracht zal de Heer van Sion zenden; heers in het midden van Uw vijanden. Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht, in heiligen sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad heb Ik U gegenereerd.

De Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. De Heer aan Uw rechterhand zal koningen verpletteren ten dage van Zijn toorn; Hij zal richten onder de volken; Hij zal lijken vervullen; Hij zal het hoofd over een groot land verpletteren. Hij zal op de weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen. Alleluia.

Psalm 96

Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!

Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.

Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.

Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.

Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.

Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.

Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.

Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.

Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.

Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.

Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.

Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.

Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.

Psalm 109

Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.

Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.

En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.

Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.

En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.

Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.

Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.

Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;

Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.

En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.

Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.

Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.

De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.

Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.

Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.

Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.

En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.

Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.

Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.

Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.

Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.

Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.

Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.

Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.

Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.

Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.

Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.

Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.

Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.

Psalm 114

Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;

Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij.

De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.

De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.

Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?

Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?

Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;

Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

Psalm 115

Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.

Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?

Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.

Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;

Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;

Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.

Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.

Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.

Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.

De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.

Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.

De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.

Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!

Psalm honderdnegenentwintig

Uit de diepten roep ik tot U, o Heer; Heer, hoor naar mijn stem! Laat Uw oren opmerkzaam zijn op de stem van mijn smekingen. Zo Gij, Heer, de ongerechtigheden gadeslaat, Heer, wie zal bestaan? Want bij U is vergeving; opdat Gij gevreesd wordt. Daarom verwacht ik, o Heer; mijn ziel verwacht, en op Zijn woord hoop ik. Mijn ziel wacht op de Heer, meer dan wachters op de morgen; meer dan wachters op de morgen. Israël hope op de Heer; want bij de Heer is goedertierenheid en veel verlossing bij Hem; en Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden. Alleluia.

Psalm 120

Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.

O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.

Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?

Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.

O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.

Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.

Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.

Psalm honderdéénendertig

Gedenk, o Heer, aan David en al zijn lijden; hoe hij de Heer gezworen heeft, en de Machtige Jacobs beloofd: Voorwaar, ik zal niet in de tent van mijn huis ingaan, en op het bed van mijn rust niet klimmen; ik zal mijn ogen geen slaap geven, noch mijn oogleden sluimer, noch rust aan mijn slapen; totdat ik een plaats vinde voor de Heer, woningen voor de Machtige Jakobs. Zie, wij hoorden van haar in Efratha, wij vonden haar in de velden van het woud. Laat ons gaan in Zijn woningen, laat ons ons neerbuigen aan de voetbank van Zijn voeten.

Sta op, o Heer, tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte. Uw priesters beklede Gij met gerechtigheid, en Uw gunstgenoten juichen. Om Davids, Uw knechts, wil, wend het aangezicht van Uw Gezalfde niet af. De Heer heeft David in waarheid gezworen, en Hij zal daarvan niet afwijken: Van de vrucht van uw schoot zal Ik op uw troon zetten. Indien uw zonen Mijn verbond zullen bewaren en Mijn getuigenissen, die Ik hun zal leren, zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten. Want de Heer heeft Sion verkoren; Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats. Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid; hier zal Ik wonen, want Ik heb het begeerd. Haar spijze zal Ik rijkelijk zegenen; haar armen zal Ik met brood verzadigen. Haar priesters zal Ik kleden met heil, en haar gunstgenoten zullen juichen met gejuich. Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb een lamp bereid voor Mijn Gezalfde. Zijn vijanden zal Ik met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien. Alleluia.

Psalm honderd tweeëndertig

Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het dat broeders ook samenwonen! Het is als de kostelijke olie op het hoofd, die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt op de zoom van zijn klederen; als de dauw van Hermon, die neerdaalt op de bergen van Sion. Want daar gebiedt de Heer de zegen, leven tot in eeuwigheid. Alleluia.

Psalm 129

Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;

Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.

Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.

De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.

Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.

Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;

Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;

En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.

Psalm 130

Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!

HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.

Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?

Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.

Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.

Israel hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.

En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Psalm 131

Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.

Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.

Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.

Psalm 132

Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;

Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:

Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!

Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;

Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!

Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.

Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.

Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!

Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.

Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.

De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.

Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.

Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:

Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.

Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.

En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.

Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.

Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.

Psalm 133

Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.

Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.

Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.

Psalm 136

Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;

Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Dien, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Dien, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Dien, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

En heeft Israel uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

En voerde Israel door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Ten erve aan Zijn knecht Israel; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

En Hij heeft ons onzen tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Looft den God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Psalm 140

Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;

Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.

Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.

Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.

Ik heb tot den HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen.

HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.

Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.

Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.

Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.

Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.

Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren. [ (Psalms 140:14) Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven. ]

Psalm 145

Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos.

Beth. Te allen dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos.

Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.

Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.

He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eer Uwer majesteit, en Uw wonderlijke daden.

Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.

Zain. Zij zullen de gedachtenis der grootheid Uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.

Cheth. Genadig en barmhartig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.

Teth. De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.

Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.

Caph. Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.

Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks.

Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.

Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.

Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.

Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.

Tsade. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.

Koph. De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid.

Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen.

Schin. De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen.

Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.

Wees gegroet

Wees gegroet. Wij smeken u, o heilige, vol van heerlijkheid, Maagd te allen tijde, Moeder van God, Moeder van Christus: draag onze gebeden op tot uw beminde Zoon, opdat Hij ons onze zonden vergeve.

Wees gegroet, gij die voor ons het ware Licht hebt gebaard, Christus, onze God; o heilige Maagd, vraag de Heer voor ons, opdat Hij barmhartigheid bewijze aan onze zielen en ons onze zonden vergeve.

O Maagd Maria, Moeder van God, heilige, trouwe voorspreekster van het menselijk geslacht, spreek voor ons ten overstaan van Christus, Die gij gebaard hebt, opdat Hij ons de vergeving van onze zonden schenke.

Wees gegroet, o Maagd, ware koningin; wees gegroet, trots van ons geslacht; gij hebt voor ons Immanuël gebaard. Wij smeken u: gedenk ons, o betrouwbare voorspreekster, ten overstaan van onze Heer Jezus Christus, opdat Hij ons onze zonden vergeve.

Het heilig Evangelie volgens de heilige Johannes (6:15-23)

Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen.

En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.

En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.

En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide.

En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd.

Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd.

Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren.

Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende, dat aldaar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren;

(Doch er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.)

Tenoo oasht emmok o piekhristos

nem pekyot en aghathos nem pi epnevma ethowab je akee ak soati emmon nai nan

Wij aanbidden U, o Christus, met Uw goede Vader en de Heilige Geest, want U bent gekomen en hebt ons verlost.

1. Heer, U kent de waakzaamheid van mijn vijanden, en wat mijn zwakheid betreft, U kent haar, mijn Schepper. Daarom leg ik hierbij mijn ziel in Uw handen. Bedek mij met de vleugels van Uw goedheid, opdat ik niet inslaap tot de dood. Verlicht mijn ogen door de grootheid van Uw uitspraken, en wek mij te allen tijde op tot Uw verheerlijking, want U alleen bent goed en minnaar van de mens.

Doxa Patri ke Eioa ke Agio Pnevmati

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

2. Heer, Uw oordeel is ontzaglijk; wanneer de mensen worden voortgedreven, de engelen zullen staan, de boeken geopend worden, de daden geopenbaard en de gedachten onderzocht. Wat zal mijn oordeel zijn, ik die door de zonde verstrikt ben?! Wie zal de vlammen rondom mij blussen?! Wie zal mijn duisternis verlichten, tenzij U, Heer?! Ontferm U over mij, want U bent barmhartig jegens de mens.

Ke nin ke a ee ke ees toos e onas toan e oa noan ameen.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

3. O Theotokos, omdat wij ons vertrouwen op u hebben gesteld, zullen wij niet te schande worden, maar gered worden. En omdat wij uw hulp en voorbede hebben verkregen, o zuivere en volmaakte, zullen wij niet vrezen, maar onze vijanden verdrijven en verstrooien. In alles nemen wij uw grote hulp aan om ons te beschermen als met een schild. Wij vragen en smeken u, roepend: o Theotokos, red ons door uw voorbeden en wek ons op uit de duistere slaap, opdat wij krachtig God mogen verheerlijken die vlees van u heeft aangenomen.

Κύριε ἐλέησον Kyrie eleison (Heer, ontferm U) 41 keer

Heilig, heilig, heilig

Heilig, heilig, heilig, Heer der heerscharen. Hemel en aarde zijn vol van Uw heerlijkheid en eer. Ontferm U over ons, o God de Vader, de Almachtige. O heilige Drie-eenheid, ontferm U over ons. O Heer, God der machten, wees met ons, want wij hebben in onze benauwdheden en verdrukkingen geen andere helper dan U.

Ontsla ons, vergeef en verduur onze misdaden, o God, die wij willens en onwillens gedaan hebben, die wij met kennis en zonder kennis gedaan hebben, de verborgene en de openbare. O Heer, vergeef ze ons omwille van Uw heilige Naam dat over ons is uitgeroepen. Naar Uw barmhartigheid, o Heer, en niet naar onze zonden.

En maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt..

De Absolutie

O Heer Jezus Christus, onze God, geef ons rust in onze slaap, verkwikking aan onze lichamen, en reinheid aan onze zielen. Bewaar ons voor de dreigende duisternis der zonde. Laat de bewegingen der hartstochten bedaren en de hitte van het vlees uitdoven. Doe het rumoer van het lichaam verstommen. Schenk ons een wakend verstand en een ootmoedige gedachte, een wandel vol deugd, een onbevlekt leger en een reine rustplaats.

En wek ons op tot de lofzang van de nacht en van de morgen, standvastig in Uw geboden, en voortdurend in onszelf de gedachtenis van Uw oordelen bewarend. Schenk ons een nacht lang verheerlijking, opdat wij Uw heilige Naam, vol van heerlijkheid en luister, zegenen; met Uw goede Vader en de levendmakende Heilige Geest, nu en altijd en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Smeekbede gebeden aan het einde van ieder uur

Ontferm U over ons, o God, vervolgens ontferm U over ons. Gij Die te allen tijde en elk uur, in de hemel en op aarde, aanbeden en verheerlijkt wordt, Christus onze goede God, lankmoedig, veel barmhartigheid hebbend, rijk aan medelijden, Die de rechtvaardigen liefhebt en Zich ontfermt over de zondaars, van wie ik de eerste ben; Die niet wil dat de zondaar sterft, maar dat hij zich bekeert en leeft; Die allen roept tot het heil omwille van de belofte van de toekomende goederen:

Heer, neem in dit uur en in elk uur onze smeekbeden aan. Richt ons leven, en leid ons tot het doen van Uw geboden. Heilig onze zielen. Reinig onze lichamen. Richt onze gedachten op. Zuiver onze bedoelingen. Genees onze ziekten en vergeef onze zonden. Ruk ons weg van alle droeve smart en hartenpijn. Omring ons met Uw heilige engelen, opdat wij door hun leger beschermd en geleid worden, en wij mogen geraken tot de eenheid van het geloof en tot de kennis van Uw onzichtbare en onbegrensde heerlijkheid; want Gij zijt gezegend tot in eeuwigheid. Amen.

O God, maak ons waardig dankbaar te zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt...

Het slot van ieder uur