TSK

TSK · Genesis 49:18

Treasury of Scripture Knowledge references in Stve.

Back to passage

He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag.

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.

Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?

Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.

Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.

En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.

Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrie; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.

Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uw God.

En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.

Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,

Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.

Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid.