Wanneer broeders samenwonen, en een van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw des verstorvenen aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broeder zal tot haar ingaan en nemen haar zich ter vrouw, en doen haar den plicht van eens mans broeder.
TSK
TSK · Genesis 38:9
Treasury of Scripture Knowledge references in Stve.
Ruth 1:11
TSK
Maar Naomi zeide: Keert weder, mijn dochters! Waarom zoudt gij met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn?
Job 5:2
TSK
Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
Titus 3:3
TSK
Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.
Jakobus 3:16
TSK
Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.