TSK

TSK · Jeremia 38:6

مراجع Treasury of Scripture Knowledge في Stve.

العودة إلى المقطع

En zij namen hem, en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig; er was geen water in.

Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.

Als Jeremia in de plaats des kuils, en in de kotjes gekomen was, en Jeremia aldaar veel dagen gezeten had;

Alzo nam Ebed-melech de mannen onder zijn hand, en ging in des konings huis tot onder de schatkamer, en nam van daar enige oude verscheurde en oude versleten lompen; en hij liet ze met zelen af tot Jeremia in den kuil.

Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.

Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.

Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze stukken, die Herodes deed,

Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;