Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
TSK
TSK · Johannes 11:35
Treasury of Scripture Knowledge references in Stve.
Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds.
Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is weggevoerd.
Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,
Dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is.
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.