TSK

TSK · Genesis 2:7

مراجع Treasury of Scripture Knowledge في Stve.

العودة إلى المقطع

In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.

Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.

Dat de HEERE, de God der geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering.

Job 27:3 TSK

Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;

Job 33:6 TSK

Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden.

Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.

Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.

Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?

Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.

De last van het woord des HEEREN over Israel. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.

En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven en den adem, en alle dingen geeft;

Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.

Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;

Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?